Dwang

 

 
Symptomen en diagnose


Volgens de DSM-IV1 gelden voor de obsessief-compulsieve stoornis de volgende criteria:

  • Iemand heeft dwanggedachten (ook obsessies genaamd) en/of verricht dwanghandelingen (ook compulsies of dwangrituelen genaamd).
  • De persoon is zich ervan bewust dat deze dwanggedachten of dwanghandelingen overdreven of onredelijk zijn.
  • De dwanggedachten of dwanghandelingen veroorzaken veel leed, kosten veel tijd of komen in botsing met het normale gedrag van betrokkene of met het werk, de sociale activiteiten of de relaties.

Dwanggedachten (obsessies) worden als volgt gedefinieerd:

  • Er is sprake van terugkerende en hardnekkige gedachten, impulsen of voorstellingen die ervaren worden als opgedrongen en zinloos, en die duidelijke angst of lijden veroorzaken.
  • Deze gedachten, impulsen of voorstellingen zijn niet eenvoudig een overdreven bezorgdheid over problemen uit het dagelijks leven.
  • De persoon probeert die gedachten, impulsen of voorstellingen te negeren of te onderdrukken, of ze te neutraliseren met andere gedachten of handelingen.
  • De persoon is zich ervan bewust dat die gedachten, impulsen of voorstellingen het product zijn van de eigen geest en niet 'van buitenaf worden binnen gebracht'.

Inhoudelijk hebben obsessies vaak betrekking op besmetting met ziekte of vuil, fouten maken met rampzalige gevolgen, eigen agressief gedrag, ongewenste seksuele gedachten, en godslaster.

Dwanghandelingen worden als volgt gedefinieerd:[1]

  • Er is sprake van zich herhalende gedragingen (b.v. handen wassen, controleren) of mentale bezigheden (b.v. bidden, tellen) waartoe men zich gedwongen voelt in reactie op een dwanggedachte.
  • De gedragingen of mentale bezigheden zijn gericht op het voorkómen of verminderen van het lijden, of op het voorkómen van een bepaalde gevreesde gebeurtenis of situatie. De gedragingen of mentale bezigheden tonen echter geen realistische samenhang met hun doel of ze zijn buitensporig.

Inhoudelijk zijn compulsies onder andere te onderscheiden in:

  • controleren en geruststelling vragen,
  • schoonmaken en wassen,
  • symmetrie handhaven en ordenen (o.a. tellen),
  • overmatig bidden,
  • en hamsteren of verzamelen.

Hoe dwang werkt

Gemeenschappelijk in alle soorten dwang is dat de client eigenlijk wel weet dat de gedachten en/of het gedrag niet klopt of overdreven is. Toch is het vreselijk lastig om het te laten. Het niet-doen voelt slecht en geeft spanning. Het uitvoeren van het dwanggedrag of de herhaling van de dwanggedachten geeft uiteindelijk (even) rust. Het huis is weer 'schoon'of het gas is 'zeker'uit, het is zeker dat er onderweg geen ongeluk gebeurd is, enzovoort. Mensen met dwang zijn altijd op zoek naar geruststelling voor hun angst. Het gemene van de dwang is echter dat die geruststelling vaak maar van korte duur is. Er komt weer een nieuwe gedachte, of er gebeurt weer iets wat moeilijk is, en de dwang begint weer van voren af aan. Op de lange duur neemt dwang vaak sluipenderwijs toe en kan zelfs zo erg worden dat mensen belangrijke dingen als werk en sociale contacten verliezen.

 

De therapie

De therapie kent vier hoofdlijnen:

1) Psychoeducatie. Dwang is een moeilijk te begrijpen fenomeen. Niet alleen voor de omgeving, maar ook voor de persoon met dwang zelf. Er wordt veel tijd besteed aan het uitleggen hoe dwang werkt

2) Responspreventie. We gaan het dwanggedrag geleidelijk terug dringen. Hierover maken we afspraken die geleidelijk aan worden uitgebreid. Verder is het belangrijk dat moeilijke dingen weer verdragen worden, zoals een huis dat niet perfect schoon is. Door oefeningen moet je er weer aan wennen hoe het is om niet alles perfect in orde of schoon te hebben. Ook het steeds weer vragen van geruststelling is soms een groot probleem; ook hierover gaan we afspraken maken.

3) Cognitieve therapie. Mensen met dwang maken vaak steeds terugkerende denkfouten. Bijvoorbeeld dat iets 10 keer controleren meer zekerheid geeft dan iets 1 keer controleren; alsof er meer dan 100% zekerheid bestaat. Een ander voorbeeld van een denkfout is dat je zo maar iest rampzaligs zou kunnen doen zonder dat je het zelf merkt. In de therapie gaan we op zoek naar de achterliggende denkstijl en naar de denkfouten er in.

 4) Oefenen. Soms is het belangrijk om met moeilijke thema's te oefenen. Als iemand bijvoorbeeld veel dwangmatig bezig is om alles schoon te houden, kan het goed zijn om maar eens express kruimels op de grond te gooien en dat een tijdje te verdragen (hoe erg is het nou eigenlijk als daar kruimels liggen?) Laat maar eens express die lamp een nacht aan, wat kan er mis gaan? Raak al je spulletjes die altijd perfect schoon moeten blijven nu maar eens achter elkaar aan met handen die net buiten de roltrap hebben vastgehouden. Enz. Dit soort oefeningen geeft soms erg veel spanning, maar ze kunnen enorm belangrijk zijn om een patroon te doorbreken en te ervaren dat er geen ramp gebeurt.